Terug
Home

Het sprookje van Prinses Carolientje.

Er was eens een prinsesje dat elke ochtend moe opstond omdat ze s' nachts bang was geweest voor helemaal niets.

Want dat het helemaal niets was waar ze bang voor was, dat wist ze best wel. Als het raam piepte in de wind, dacht ze dat er engerds aan haar bed stonden. Snel knipte ze dan haar lampje aan en dan zag ze dat ze weer eens helemaal voor niets bang was geweest!
En toch was ze bang.
De ene nacht kwam dat door het piepende raam, de andere nacht waren het de takken van de seringenboom die tegen de deur streken, de nacht na die nacht waren het de zachte pootjes van poes die krabbelde aan de deur en de nacht na de volgende nacht was het de verwarmingsketel die aansloeg.... Ze werd er moe van.

Op een ochtend keek de Koning haar eens vorsend aan. Hij tikte met zijn wijsvinger tegen zijn kin. Zijn heldere, wijze ogen dwaalden over haar bleke, smalle gezichtje. Wat was er toch met zijn mooie dochter aan de hand? Ze kreeg donkere kringen onder haar ogen. Haar haar werd dof, en ze sleepte zichzelf door de paleisgangen, waar ze eens danste van verlangen...
Ze at nog maar muizenbeetjes en zelfs dat werd te veel.
Het leek warempel wel alsof ze gekrompen was. Ze liep met gebogen hoofd rond en durfde niemand meer in de ogen te kijken.

De Koning boog zich naar zijn vrouw die met haar pink omhoog een broodje pindakaas at en het was duidelijk dat ze met haar gedachten bij alle dingen die ze vandaag moest doen was. Het was te veel, zuchtte ze van binnen, terwijl ze haar hapjes wegkauwde. De Koniging had nog niet de tijd gehad om naar Prinses Carolientje te kijken en keek verbaasd de Koning aan toen hij zei:
' Ik denk dat ik maar eens de fee van het Zuiden bel vandaag. Misschien kan zij eens kijken wat er met onze dochter aan de hand is. Uiteindelijk verwachten we volgende week de familie Koning-van Voorden uit ons buurland Buria en ik wil wel dat Prinses Carolientje dan kan genieten van alle festiviteiten!'
Zorgelijk keek hij het prinsesje na toen ze met slepende tred van tafel ging en de gang inglipte. Ze had helemaal nergens zin in. Dat had niemand hoeven vragen aan haar. Dat zag je zo wel.

Die middag kwam de fee uit het Zuiden op visite.

Ze zat op gouden kussens en at frambozentaartjes van de koninklijke banketbakker en dronk haar thee net als de Koningin met haar pink omhoog. Door haar half gesloten oogleden gluurde ze naar prinses Carolientje.
Een beetje traag, een beetje bleek, een beetje moe en een beetje bang, dacht ze toen ze Prinses Carolientje observeerde. Dat wordt een leuke klus, dacht ze weer, en ze nam nog een fambozentaartje.


' Kind!' , zei ze, toen ze even later met Prinses Carolientje door de Koninklijke tuin wandelde,' vertel eens! Wat heb je?'
'Niets mevrouw.', zei Carolientje bedeesd, 'Ik heb niets hoor!' Ze gooide een steentje in de Koninklijke vijver. Stilletjes keek ze naar de kringen die in het water kwamen nadat het steentje gezonken was.
'Maar kindje toch!', de fee uit het Zuiden schudde haar hoofd. Er kwam een bezorgde blik in haar ogen. 'Ik kan toch zo wel zien dat er iets met je is? Je lijkt zo moe. En wat zoek je toch op de grond? Ik zie je steeds maar naar beneden kijken! En draag je wel de goede schoenen? Je loopt zo langzaam!'
Prinses Carolientje kromp een beetje in elkaar toen ze al die vragen hoorde en wilde maar dat ze zichzelf onzichtbaar kon maken. Al die vragen! En dat terwijl ze altijd zo lief was voor iedereen. Zij zou dat nou nooit doen, van die vragen stellen, dan bracht je iemand toch zeker in verlegenheid? Haar wel in ieder geval!

Vlinders dartelden in het zachte lentezonnetje, bloemen straalden op stevige stengels in de vruchtbare lentegrond en keken naar de zon, en de bladeren ritselden zacht in een warme lentebries. De fee uit het Zuiden liep regelrecht naar een eeuwenoude beukenboom. De stam was zo dik dat ze hun armen er niet omheen konden leggen. Zelfs niet als ze dat alletwee zouden doen en elkaars hand zouden vastpakken. De Beuk stond al vierhonderd jaar op deze plek en zag er prachtig en gezond uit.

De fee ging op de bossige grond eronder zitten en leunde met haar rug tegen de stam van de Beuk. Met een uitnodigend gebaar liet ze Prinses Carolientje ook zitten. Zo zaten ze daar in het warme lentezonnetje en Carolientje plooide haar mooie jurk met ruches netjes om haar benen.
Voorzichtig leunde ze achterover en merkte hoe moe ze was en dat ze weer eens niets durfde te zeggen.
'Wist je?' zei de fee, 'wist je dat je beukenbomen alles kunt vragen wat je maar wilt? Beukenbomen weten veel, zo niet alles. Ze torenen hoog boven alles uit natuurlijk en ze zien alles, altijd, overal. Ze vertellen elkaar wat ze weten, ze fluisteren met hun bladeren naar elkaar en wisselen nieuwtjes uit.'
Het leek wel alsof de beuk de fee hoorde want de takken begonnen te dansen in de lentebries en de bladeren leken inderdaad wel te fluisteren.
De fee gaapte. 'Zou je de beuk iets willen vragen?' Haar stem viel een beetje weg.
Prinses Carolientje zuchtte en weer bedacht ze dat niet zo heel erg durfde. En toch was er iets dat ze heel graag wilde weten: wat had ze toch gedaan? Ze merkte dat iedereen altijd een beetje boos was. De Koningin bijvoorbeeld keek vaak een beetje boos. Prinses Carolientje dacht dan bijna altijd dat zij het was die iets verkeerd had gedaan. Dan keek de Koning weer boos, of de juf die wekelijks de wiskundelessen kwam geven en soms keek ook de kok boos. En de butler idem dito! Prinses Carolientje voelde zich dan heel klein worden en wilde zich dan het liefst verstoppen. Maar in plaats daarvan bleef ze dan maar zitten, een beetje moe en een beetje lusteloos.

De beukenboom boog zich een beetje voorover met zijn takken en blaadjes streken langs haar gezicht. Prinses Carolientje schrok zich een hoedje. Nooit had ze gedacht dat bomen konden spreken, en nu zat ze onder eentje!
De boom sprak zachtjes en een beetje vermanend. 'Kind vertel eens, hoe weet jij zo zeker dat ze boos zijn op jou?'
Met een wit gezichtje keek ze naast zich en zag dat de fee het zeker niet had gehoord want die was diep in slaap.
'Dat zie ik toch zeker gewoon?', zei ze stilletjes terug. ' Ze kijken boos.'
'En wat,' zei de beuk, 'als ze nou eens gewoon boos zijn op de melk omdat die is overgekookt? Of alle afspraken die er gemaakt zijn en waarbij even zoveel linten moeten doorgeknipt? Of op de cake die is ingezakt toen de ovendeur te vroeg open werd gedaan? Of het glas dat ze uit hun handen hebben laten vallen?'
Hij gniffelde een beetje, de beuk. ' Ben jij soms verantwoordelijk voor de linten, de cake, het glas en de melk?'
Prinses Carolientje begon een beetje te grinneken. 'Nee, natuurlijk niet!' giechelde ze. 'Daar heb ik helemaal niets mee te maken!'
'Je kunt pas zeker weten, kind, dat anderen boos op je zijn, als je dat aan ze vraagt!' sprak de beuk haar een beetje streng toe. Hij schudde zijn takken. 'En bovendien; moeten alle anderen jou altijd maar aardig vinden? Jij vindt anderen toch ook niet altijd even aardig?'

Een klein blaadje dwarrelde op Carolientjeís prachtige jurk. Nog meer blaadjes dwarrelden neer. 'Vertel eens Prinses!' zei de beuk. 'Hoe ziet jouw angst er uit?' Carolientje dacht een poosje na. 'Als een zwarte bol, net een verbrande zon.' zei ze na een tijdje. De beuk mompelde een beetje. Hij dacht na. 'Als je bang bent wordt je moe, vind je niet?' Carolientje knikte. Zij kon het weten, elke ochtend stond ze moe op.
'Strek je handen maar eens naar die zwarte bol en voel je hoe je vermoeidheid verdwijnt.' zei de beuk. 'Alsof al je energie weer terug stroomt in je vingers, je lichaam in. Gebeurt er iets met die zwarte bol?' vroeg hij.
' Ja!' zei Carolientje. 'Hij wordt kleiner en kleiner!'
'Mooi!' juichte de beuk. 'Vanaf nu nooit meer zomaar moe en vanaf nu durf je alles weer gewoon! Iedereen maakt wel eens vergissingen, en van vergissingen kun je leren. En je bent aardig zoals je bent, niet om wat je allemaal doet, zonder fouten en perfect, maar om wie je bent!' Hij lachte voluit en zijn takken zwaaiden nu heen en weer. 'Luister eens Prinsesje! Het leven houdt van je! Je bent veilig. Je bent goed zoals je bent en wat je voelt is ook in orde hoor! Wat jij voelt is goed! Je hoeft niet altijd te doen wat anderen vinden dat je moet doen, je mag ook wel eens lekker jezelf zijn! En ga nu maar, want straks wordt die toverkol wakker en dan zit ik er de hele nacht mee, net als de vorige keer. En een beuk wil ook wel eens rust!'
Prinses Carolientje begon zich al een beetje beter te voelen.
'Denk eraan Carolientje!' riep de Beuk haar na, toen ze even later met de fee uit het Zuiden naar het paleis terugliep, ' Je kunt pas zeker weten dat ze boos op je zijn als je het aan ze vraagt!'

Carolientje leek een stukje groter, wel 5 centimeter. Ze liep trots als een pauw naast de fee. 'Jammer!', dacht die. 'Ben weer eens in slaap gevallen. Zo kom ik nooit te weten hoe die beuk dat doet...!'
'ìMama?', vroeg Prinses Carolientje die avond aan de Koningin die een beetje stuurs de rekeningen van het koninginnedagfeest doornam. 'Ben je boos op mij?'
Geschrokken legde de Koninigin de stapels aan de kant en trok Carolientje op schoot. 'Welnee! Welnee! Kind, hoe kom je er bij? Alleen die rekeningen ook altijd! Maar boos op jou, kind? Nee hoor, geen haar in mijn koninklijke kapsel die daar aan denkt!'
Ze keek haar dochter eens aan, 'Je lijkt wel gegroeid vandaag? En heb je lekker in het zonnetje gezeten? Je wangen zijn zo rood?'
Ze legde de rekeningen weg en ging er eens goed voor zitten. 'Vertel eens! Hoe was die fee uit het Zuiden nu werkelijk. Klopt het dat ze een beetje slaperig is en makkeljk indut? De minister van het kabinet zei zoiets.'
En Prinses Carolientje vertelde van de wandeling en de beuk en het hazenslaapje van de fee.

Vanaf die dag vroeg ze aan iedereen of ze boos waren, of niet tevreden, of wat ze nodig hadden, en ze durfde te vragen aan anderen wat ze zelf nodig had, want ze merkte al snel dat dat de beste manier was om zeker te weten dat het niet aan haar lag, dat anderen zich niet lekker voelden, en dan hoefde ze zich niet schuldig en machteloos te voelen.
Prinses Carolientje groeide voorspoedig op en durfde voortaan met alle andere kinderen te spelen en maakte zich nooit meer onnodig zorgen of anderen haar wel aardig zouden vinden. Want telkens als ze s'ochtends in de spiegel keek als ze haar tanden blinkend wit poetste, zag ze een van de aardigste kinderen van het hele land! 'Met haar wil ik wel spelen, wat een leuke meid!', dacht ze dan lachend!

En soms, als het mooi weer was, wandelde ze door de tuin en dan luisterde ze naar de beukenbomen, die fluisterden in de wind. Dan bedankte ze de beuk met glanzende ogen en rode wangen in gedachten voor de wijze woorden die haar zo geholpen hadden. En ze leefde nog lang en gelukkig!

Rob Bouber

Terug
Home